Nog meer vreemde snoe(k)shanen deel 7. Groot aas.

Wat heeft deze snoek zojuist gegeten?
Wat heeft deze snoek zojuist gegeten?

De hagelstenen kletteren tegen de ramen van mijn kantoor en voor vanavond/vannacht verwacht het KNMI vorst. Prima weer om achter de computer te vissen en dat doe ik dit keer met groot aas. Ik heb in de loop der jaren nogal wat foto’s binnen gekregen van snoeken die zich vergrepen aan grote, soms te grote, prooivissen en andere wezens en vind dit zelf een van de leukste en ook meest interessante onderwerpen in deze serie.

Ik zag hoe de grote snoek de kleine dode soortgenoot net naast de boot pakte en vlot naar binnen werkte.
Ik zag hoe de grote snoek de kleine dode soortgenoot net naast de boot pakte en vlot naar binnen werkte.

Ik heb er ook het nodige van geleerd op het gebied van aas en kunstaas voor grote snoek. Vroeger, een kleine 60 jaar geleden toen ik mijn zakgeld verdiende met het vangen van aasvisjes, gooide ik de voorns en kleine brasems boven de 15 cm weer terug. Ik had heilig het idee dat ze veel te groot waren voor vriend Esox. En dat je met baars als aasvis ook kon scoren, om maar eens een moderne uitdrukking te gebruiken, kwam in mijn hoofd totaal niet op. Na mijn verhuizing van de veenpolders rondom Graft-De Rijp naar de kleipolders bij Bovenkarspel werden de aasvissen wel iets groter maar nooit groter dan 20 cm.

Ieder jaar worden dit soort snoeken dood gevonden.
Ieder jaar worden dit soort snoeken dood gevonden.

Mijn grootste en meest gebruikte kunstaas was toen de Rapala J-11. Door de boeken van Fred Buller, het verzamelen van gegevens over 18 kg plus snoeken en niet te vergeten de uitwisseling met leden van de PAC, Pike Anglers Club of Great Britain en onze eigen SNB, kwam al meer het besef dat aasvissen en kunstaas niet snel te groot zijn voor snoek. In de 80er jaren begon ik te snoeken met voorns en windes boven de 30 cm en ving er veel metersnoeken mee. Ook had ik het geluk kunstaas in allerlei maten en vormen te mogen testen in het Grote Slavenmeer en de Taltson rivier.

Onder deze stinkende rat zit mijn spinner.
Onder deze stinkende rat zit mijn spinner.

Ruim 100 metersnoeken vangen in 6 dagen vissen vond je dan niet uitzonderlijk maar het was het wel. Ik heb op deze super stekken in Canada ook heel wat foto’s gemaakt van snoeken met verhoudingsgewijs grote prooivissen in maag en bek. En ook al hing de staart van een 70 cm kwabaal of 60 cm whitefish of andere snoek nog buiten de bek, zonder aarzelen werd ook het aangeboden stuk kunstaas gepakt.

Ad Kluiters met een vrij verse rat die in de bek zat.
Ad Kluiters met een vrij verse rat die in de bek zat.
De vuistregel van Fred

In een van de boeken van Fred Buller vond ik een vuistregel die gebaseerd was op heel veel praktijkvoorbeelden en die luidde: een snoek kan zonder problemen een prooivis tot 1/3 van zijn eigen lichaamsgewicht consumeren. Vooral als de vorm van de prooivis cilindrisch is, denk aan een grote forel, winde of andere snoek is dat geen probleem. Bij grote brasem, kolblei en karpers wordt het slikken al stukken moeilijker. Maar toch is het mogelijk dat een metersnoek een brasem van 50 cm naar binnen werkt en dan toch nog een dode 20 cm plus kolblei als toetje neemt. Ik zal de visdag waarop dit gebeurde op het Kanaal Alkmaar-Kolhorn niet snel vergeten. Dat geldt nog meer voor de vismaat van die dag, Pieter Storms, want het was zijn eerste metersnoek. Ik denk dat vooral door de beelden van dit soort gebeurtenissen het imago van de snoek als alles verslindende waterwolf waarvoor geen vis veilig is en die per week of zelfs per dag zijn gewicht aan prooivis moet eten, ontstaan is.

De aasvis waarmee Pieter Storms deze eerste metersnoek ving, is nog duidelijk te zien.
De aasvis waarmee Pieter Storms deze eerste metersnoek ving, is nog duidelijk te zien.
Op deze foto zie je de staart van de grote brasem goed.
Op deze foto zie je de staart van de grote brasem goed.
De 50 cm brasem was al grotendeels verteerd.

De realiteit is stukken minder. Biologen hebben vastgesteld dat een snoek per jaar ongeveer 4,5 keer zijn lichaamsgewicht moet verorberen om normaal te groeien en zich voort te planten. Een snoek van 10 kilo moet dus per jaar ca.45 kg vis en andere prooidieren naar binnen werken. Ik heb het diverse keren meegemaakt dat ik een snoek ving die kort daarvoor een rat gepakt had. Ik vond dat vooral leuk als ik Duitse gastvissers mee had want die verklaarden dan vaak dat ze in het vervolg geen snoek meer zouden eten.

Snoek stikt in snoekbaars, NOS nieuws.
Snoek stikt in snoekbaars, NOS nieuws.
Dodelijke vergissingen

Ieder jaar opnieuw krijg ik foto’s toegestuurd van snoeken die gestikt zijn in een te grote prooivis of een aal die in de kieuwen is blijven steken. Een paar weken geleden kwam er nog een berichtje op de televisie van een metersnoek die bij de Noorderplassen bij Almere gestikt was in een snoekbaars van 75 cm. Zelf heb ik een dode snoek van 111 cm uit een sloot in een plantsoen in Medemblik gehaald waarbij een klein puntje van de staart van een snoekbaars uit de bek stak. Die snoekbaars ook nauwkeurig gemeten en die was 77 cm lang. Dat moet toch een gigantisch gevecht geweest zijn onder water.

Deze 77 cm snoekbaars kwam uit de 111 cm snoek.
Deze 77 cm snoekbaars kwam uit de 111 cm snoek.

Dril zelf maar eens een snoekbaars van dit formaat, dan ben je mooi even zoet. Dat snoek een soortgenoot van dezelfde lengte zonder aarzelen aanvalt, wordt ook ieder jaar gemeld en ook daar komen regelmatig beelden van binnen. Zowel van snoeken die nog leven en waarvan de een de ander niet wil loslaten en ik heb ze zelf wel eens uit elkaar getrokken. Maar ook loopt dit gebeuren vaak uit op de dood van beide snoeken en ik heb dan deze snoeken, die dan een uur in de wind stinken, wel eens op de kant getrokken. Kwam je dan een paar maanden later op deze stek, vond je meestal alleen nog botten en meestal nam ik de kaken en het cleithrum, waarmee je de leeftijd kunt bepalen, mee naar huis.

Twee maanden later alleen nog botjes over.
Twee maanden later alleen nog botjes over.
Zeelt staat wel degelijk op het menu

Het is me ook al diverse keren gebeurd, vooral in Canada, dat tijdens het drillen van een snoek tussen de 60 tot 80 cm een veel grotere snoek op de kleinere snoek dook en echt geen zin om deze los te laten. Soms voorzagen we een beschadigde snoek of walleye van 40-50 cm van een takel en vingen zo de grootmoeders. Een soortgelijk moment dat ik me nu herinner en waarvan ik foto’s heb was het haken van een niet te zware vis, bleek een ca. 40 cm zeelt te zijn, onder een duiker. De verzwaarde tandenspinner zat op zijn kop vast en tijdens het binnen draaien dook er een dikke snoek op. Ik gaf mijn hengel aan Blinker hoofdredacteur Karl Koch, pakte mijn camera en vroeg Karl de snoek langzaam omhoog te tillen en toen kon ik een foto maken. Even later liet de snoek los en kon ik toch nog de zeelt landen.

Karl Koch houdt hengel hoog en ik maak de foto.
Karl Koch houdt hengel hoog en ik maak de foto.
De hele zeelt zat kort hiervoor nog in de snoek.
De hele zeelt zat kort hiervoor nog in de snoek.

Omdat grote snoeken in de polder vaak in de buurt van de duiker blijven, probeerde ik het een week later weer op die stek. En reeds bij de eerste worp met de tandemspinner was het bingo, een mooie poldersnoek van 110 cm! Vroeger ging het verhaal dat snoek geen zeelt op het menu had staan omdat de zeelt de geneesheer van de vissen was. Flauwe kul want ik heb in de Ossiachersee in Oostenrijk met een zeelt als levend aas, gedacht voor meerval, een snoek van bijna een meter gevangen. Ook de voormalige Duitse recordsnoek van Friedrich Witzany die 23,7 kilo woog werd met een levende zeelt gevangen. Ach, wat vreet een snoek nu niet? Jonge eenden, meerkoeten en ganzen worden zonder aarzelen van het wateroppervlak geplukt en daarom is het vissen met een grote streamer, model halve kip, in het begin van het snoekseizoen vaak productief.

Puntje staart is nog zichtbaar.
Puntje staart is nog zichtbaar.

Geen angst meer voor groot aas

Ik heb zojuist even mogelijke foto’s bij dit artikel uitgezocht en ik kom tot ruim 30 stuks. Dat zijn er gewoon veel te veel voor een artikel en daarom zal ik over groot aas en ook vreemd aas voor snoek in een volgend artikel het één en ander vertellen. Door al deze verhalen met foto’s heb ik geleerd dat een aasvis of kunstaas niet snel te groot is. Ik vermoed zelfs dat de verhoudingen bij kleine snoek die vaak zonder aarzelen een 25 cm Grandma plug of een nog langere shad pakt, de verhoudingen nog extremer zijn.

Maar toch, toch hebben vooral de beginnende kunstaas vissers angst om pluggen, jerkbaits, shads en grote bucktail spinners aan de onderlijn te hangen. Eerst als ze zien, of wat nog beter is, zelf daarmee vangen, komt het vertrouwen. Groot aas is geen garantie om meteen metersnoeken te vangen maar het selecteert wel zodanig dat het aantal aanbeten van kleinere snoek vermindert. Met deze 1360 woorden moet men het voor dit keer doen. Ik zal nu kijken of ik een stuk of 14 bijpassende foto’s kan vinden en van een onderschrift voorzien.

Tot de volgende aflevering, Jan Eggers

Nog meer vreemde snoe(k)shanen, gekke bekken trekken.

Hans Ris van De Vlietlanden met een ruime metersnoek waarvan de bovenkaak korter is.
Hans Ris van De Vlietlanden met een ruime metersnoek waarvan de bovenkaak korter is.
Gekke bekken trekken en vreemde kopzorgen

Na het nogal bloedige artikel van de snoeken met tumoren en rode vlekken komt nu een categorie snoeshanen aan de beurt waarvan ik heel veel foto’s heb. Ik denk dat het komt omdat het meteen opvalt dat een snoek een gekke bek heeft als je hem gevangen hebt en wilt onthaken. Die afwijkingen aan of van de snoekenkop kunnen aangeboren zijn zoals bij de bekende mopskop. Maar helaas zorgt de snoekvisser zelf ook voor misvormingen aan onder- en bovenkaak. “Nog meer vreemde snoe(k)shanen, gekke bekken trekken.” verder lezen

Jan Eggers, nog meer vreemde snoe(k)shanen, deel 3 fossielen.

Dit is dan een echt lid van de Esox familie, de ca. 20 miljoen jaar oude Esox lepidotus en hij lijkt qua vorm toch echt op onze snoek.

Snoeken uit een heel ver verleden.

In het door verzamelaars veel gezochte boek “Pike” van mijn goede vriend Fred Buller dat ik 1971 uitkwam, zijn 4 pagina’s gewijd aan fossiele snoeken. Het vervolg op dit klassieke boek is “Pike and the Pike Angler” uit 1981 waaraan ik veel heb mogen bijdragen.

Tekst en fotografie: Jan Eggers

Het hoofdstuk over fossiele snoeken is nu 10 pagina’s groot. Ik heb dit altijd zeer interessant leeswerk gevonden en heb er een paar jaar later zeer intensief met Fred over gediscussieerd. Dat kwam door een artikel in Fisch und Fang en de informatie en foto’s in dat artikel zorgden voor veel verwarring. Na veel onderzoek en contacten met wetenschappers in Duitsland, Canada en Engeland werd deze z.g. “Bone-Pike Affair” tenslotte opgelost. Ik heb daardoor niet alleen veel wetenschappelijke informatie verzameld maar ook een aantal interessante foto’s van fossiele “snoeken”, ja tussen aanhalingstekens en op het einde van dit artikel zal men begrijpen waarom.

Eerst tot 30 miljoen jaar oud.

De oudste snoeken die in het boek Pike genoemd worden zijn de Esox lepidotus uit het late Mioceen, zo’n 20 miljoen jaar geleden en de Esox papyraceus die nog 10 miljoen jaar ouder was. Tja, en daar komt dan ene Jan Eggers met een telefoontje over een verhaal en nieuwe foto’s van fossiele snoeken die wel 50 miljoen jaar oud zouden zijn. Een van de eerste van de vele vragen die Fred na het ontvangen van dit bericht op me af stuurde was of ik contact wilde opnemen met Dr. Weitschat om meer informatie en liefst wat foto’s te vragen. In de begeleidende brief stond dat deze fossielen gevonden waren in de Messeler groeve, tussen Darmstadt en Frankfurt. Uit deze groeve haalde men bruinkool en regelmatig kwam men fossiele vissen tegen, zo ook deze vissen van de foto’s die hij aanduidde met de naam “Knochenhechte”. Letterlijk vertaald kom je dan op beensnoek en gezien de schubben die er als plaatjes been uitzagen en de vinstralen die erg op kootjes van een vinger leken was dat een passende benaming.

Verschillende keren vroeg Fred me of het geen familieleden waren van de Esox lepidotus en de Esox papyraceus. Ik heb toen Dr. Weitschat nog eens gebeld en die wist zeker dat deze fossielen 50 miljoen jaren oud waren omdat alle fossielen uit deze bruinkool laag goed gedetermineerd met de C-14 koolstof methode. Bleef dus over de hamvraag: welke snoeken zijn het dan wel?

Boven de Knochenhecht die Fred Buller deed denken aan de Cepedian pike, een geepachtige dus, en onder onze Esox lucius.

Een oude gravure is de sleutel tot de oplossing.

Omdat er midden 80er jaren van de vorige eeuw nog geen Internet en E-mail was en ik angst had dat er iets fout kon gaan als ik de foto’s per brief naar Fred zou sturen, besloot ik voor een weekendje naar Little Missenden te gaan. Eerlijk gezegd raakte Fred meer opgewonden van de foto’s van deze oeroude vissen dan van de foto’s van vele 18 kg plus snoeken voor de Big PIke List. Hij keek vol verbazing naar de foto van de snoek met opengesperde bek die gestikt was in een te grote prooivis. Een fenomeen dat ieder jaar opnieuw gebeurt en waarover ik binnenkort ook een artikel over zal schrijven in deze serie.

Er was een foto waarin hij vooral geïnteresseerd was omdat de foto hem herinnerde aan een oude gravure van een snoek die erg op deze fossiele snoek leek. Hij begon in allerlei kasten, laden en boeken te snuffelen en nadat zijn studeerkamer in een grote chaos was veranderd, toonde hij het gezochte papier. Daarop stond een vis die erg leek op de fossiele Knochenhecht die ik had meegebracht en onder de gravure stond Cepedian pike. Deze snoek was veel jonger want de datum op de gravure gaf 1808 aan. Ontegenzeggelijk leken deze 2 vissen op elkaar vooral als je de Knochenhecht liggend op de rug afbeeldde. Vervolgens kwam de vraag: waar kwam deze gravure vandaan? Fred kwam er niet uit maar volgens zijn vrouw Pauline had hij hem ooit gekregen van de kleindochter van de befaamde hoofdredacteur van de Fishing Gazette R.B. Marston. Deze Patricia Marston was nu de echtgenote van een van de beste vrienden van Fred Buller, te weten de beroemde Richard Walker.

Onbekend was nog uit welk boek deze tekening gehaald was maar na een paar telefoontjes met handelaren in oude visboeken kreeg Fred het advies contact op te nemen met de curator van het British Museum, afdeling Natuurlijke Historie. Hij had al vele jaren een goed contact met deze Alwyne Wheeler maar helaas had deze nog nooit van een Cepedian pike gehoord. Maar wel kwam hij met de suggestie dat het wel eens niet over een lid van de familie Esox zou kunnen gaan maar om een vertegenwoordiger van de geepachtige, zeg maar van de familie Atractosteus spatula (Lacepede). Tegenwoordig leven deze Spotted gar en Longnose gar in de oostelijke helft van de USA en Cuba en ze doen echt aan vriend snoek denken qua vorm. Dat de wetenschappelijke naam bedacht was door de Franse natuurwetenschapper Le Compte de Lacepede, die later uit angst voor de guillotine in de periode van de Franse Revolutie zich gewoon meneer Lacepede noemde, kwam nu in een soort aangepaste vorm terug in Cepedian pike.

De Knochenhecht die gestikt is in de Amia prooi vis met de naar boven wijzende ruggengraat.

Zelfs de prooivis werd herkend

Nu men wist dat het om geepachtige ging en enig idee had waar verder te zoeken, werd paleontoloog Dr. Peter Forey ingeschakeld en die had in zijn collectie fossiele vissen ook een aantal exemplaren uit de Messeler Groeve en herkende meteen de vis die in de bek van de Knochenhecht, nu dus een geepachtige, geparkeerd was. Deze te grote prooi was een lid van de Amia familie, een soort modderkruiper waarvan nu ook nog afstammelingen in het stroomgebied van de Mississippi leven. Hij kon dit zien aan de opwaarts gebogen ruggengraat die heel kenmerkend voor de Amia familie is. Ik heb deze informatie later doorgestuurd naar Dr. Weitschat die bevestigde dat er veel fossielen van deze Amia in de groeve gevonden worden en hij stuurde me nog een foto van een Amia.

Zo ziet de prooivis Amia met opwaartse ruggengraat er uit.

Als ik nu terug kijk, kom ik tot de conclusie dat alle verwarring is ontstaan door een foute vertaling of noem het interpretatie van het woord Knochenhecht. Natuurlijk, dat het woordje Hecht in het Duits snoek betekent, klopt als een zwerende vinger. Toen wist ik ook al dat Hornhecht de Duitse naam voor geep was maar daar heb ik geen seconde aan gedacht. Trouwens, de naam snoek in combinatie met een voorvoegsel betekent ook in andere talen geep. Ik zal er een paar noemen. In het Zweeds: snoek = gädda, geep = Horngädda. Fins: snoek = hauki, geep =nokkahauki. Engels: snoek =pike, geep is ook garpike.

Nog een mooi voorbeeld van een Knochenhecht die geen snoek is maar een geepachtige. Let op de schubben en kootjes bij de vinstralen.

Dat de vorm van deze vissen: spitse snavelachtige bek, slanke torpedo achtige vorm en niet te vergeten de “straalmotor” bij het achterlijf, bestaande uit staart-, rug- en anaal vin een succesformule in de evolutie blijkt te zijn, is inmiddels wel bewezen. Ja ook voor de snoeken.

Dit is de oudst bekende snoek, de Esox tiemani en bij het pijltje de ruggengraat van een verteerde prooivis.

De alleroudste snoek ter wereld en wat jongere familieleden

Kort voordat bovenstaande geschiedenis ons bezig hield had Fred Buller een bericht gekregen dat ik het noorden van Canada een echte fossiele snoek van 56 miljoen jaar oude gevonden was: de Esox tiemani. Dit fossiel werd tijdens het aanleggen van een weg naar een oliebron ontdekt door de hr. B. Tieman die het onder de aandacht van de wetenschappers bracht. Op de foto van deze zeeeeeeer oude snoek ziet men niet alleen dat de vorm min of meer gelijk is aan onze hedendaagse snoeken maar dat de eetgewoonten hetzelfde zijn. Op de plek waar de maag zit, zien we de restanten van zijn laatste maaltijd, zijnde de ruggengraat van een prooivis. Oudere snoeken heb ik niet in de collectie. Wel foto’s van afbeeldingen van snoek op beenderen van dieren die 17.000 jaar geleden gemaakt zijn door holbewoners in Frankrijk. Er zijn onderkaken van snoeken gevonden in de Noordzee.

De onderkaak van een forse snoek die in de afvalhoop van een Romeinse nederzetting bij Keulen gevonden is.

Er is een periode geweest dat deze zee droog lag en vandaar dat men er nog steeds botten van de mammoet en andere prehistorische zoogdieren vindt en dus ook snoek. Het is bekend dat er duizenden jaren terug snoek gegeten werd in ons gebied want men heeft graten en andere snoek botjes in keukenafval uit die periode gevangen. Leuk vind ik de onderkaak van een forse snoek die bij de keuken van een Romeinse nederzetting bij Keulen gevonden werd en waarvan ik een foto kreeg toegestuurd. Met deze oeroude informatie moet men het in deze aflevering doen. Waarover ik het in de volgende aflevering ga hebben, weet ik nog niet.

Groetend Jan Eggers