Jan Eggers 100 jaar snoeken in Nederland, deel 6

De geschiedenis van de snoekvisserij in Nederland beschrijven, is natuurlijk meer dan enkel en alleen het vissen op deze rover met de eendensnavel onder de loep nemen. Er zijn ook bestuurstechnische en politieke zaken die bepalen of we als snoekvisser aan onze trekken komen of juist beperkt worden in het uitoefenen van onze hobby. Vooral de politieke kant van de zaak is vaak moeilijk te begrijpen voor de doorsnee snoeker. Dat is niet alleen anno 2019 zo, en dan denk ik aan het door de politiek ingevoerde verbod op de levende aasvis.

Tekst en foto’s Jan Eggers

Dit is de oogst aan onderlijnen, takels, ongeschikt kunstaas voor de polder dat een beroepsvissers in de jaren 1960 – 1980 in zijn fuiken vond, werpen was toen moeilijk.
Dit is de oogst aan onderlijnen, takels, ongeschikt kunstaas voor de polder dat een beroepsvissers in de jaren 1960 – 1980 in zijn fuiken vond, werpen was toen moeilijk.

Maar ook aan de wensen van het beroep om weer schubvis te mogen vangen, maar dat was in het verleden ook regelmatig het geval. Als je het geluk hebt dat er een kabinet komt met een minister van landbouw die oog en hart heeft voor de sportvisserij, ben je beter af dan wanneer deze bewindsman, of -vrouw, dat sportvissen maar niets vindt en liever naar de actievoerders van de Dierenbescherming luistert.

Zo rond 1965 had de sportvisserij het zo slecht nog niet getroffen met de verantwoordelijke minister. Ik noemde zijn naam al, Barend Biesheuvel die het later zelfs nog tot minister-president zou schoppen. Zo werden er een aantal bekwame mensen uit de sportvisserij benoemd op verantwoordelijke posten bij het ministerie. De contacten tussen de minister en de AHB en het CNHV werden geïntensiveerd en men luisterde naar elkaar.

Je zou heel eenvoudig kunnen stellen dat het ministerie begon in te zien dat de belangen van de sportvisserij belangrijker waren dan die van de in aantal slinkende beroepsvissers op het binnenwater. Vroeger waren de veranderingen qua visserij wetgeving praktisch altijd in het voordeel van het beroep uitgevallen, nu veranderde dat. Ik noem nog maar even de verhoging van de minimummaat van snoek naar 50 cm en de langere wettelijk gesloten tijd voor vriend Esox lucius. Beslissingen waar het beroep fel op tegen was.

Snoekvergunning kon je in die tijd meestal in beperkte mate alleen via de beroepsvissers krijgen, nu is alles veel beter geregeld op dit punt.
Snoekvergunning kon je in die tijd meestal in beperkte mate alleen via de beroepsvissers krijgen, nu is alles veel beter geregeld op dit punt.

In deze periode beginnen een aantal wezenlijke veranderingen in het politieke denken waar de sportvisserij later veel voordeel van zou krijgen. Er komen niet alleen discussies over de wetgeving en maar ook over de versnippering van de vergunningen. Van veel viswater waren de visrechten in handen van de beroepsvissers, vooral om met wat men toen de “speciale hengel” noemde met kunstaas en levend aas op roofvis te mogen vissen. Ik weet nog dat er bij de visclub in De Rijp vaak geloot moest worden om een snoekvergunning te bemachtigen.

De beroepsvissers gaven maar een beperkt aantal van deze vergunningen uit, beducht als ze waren voor teveel concurrentie. Het kon gebeuren dat er soms meer snoekvergunningen nodig waren en die werden dan nog wel eens voor een hogere prijs beschikbaar gesteld. Het snoekseizoen in de Eilandspolder was toen veel korter dan nu, namelijk van 1 september tot en met 31 december. Door de strenge winter van 62-63 was de visstand in veel ondiepe polders enorm gekelderd en ik weet nog goed hoe er tonnen dode vis, waaronder veel mooie snoeken, achter de sluis in De Rijp opgeruimd moesten worden. Het gevolg was dat er zeer weinig animo was om een snoekvergunning voor de herfst van 1963 aan te schaffen. Maar dat loste men op door te stellen dat wie nu een snoekvergunning kocht, er verzekerd van was dat hij de volgende 5 jaar er ook een zou krijgen en dus niet hoefde te loten. Handig gedaan!

Ook na de strengste winter blijven er enkele snoeken over die dan voor een nieuwe generatie zorgen.
Ook na de strengste winter blijven er enkele snoeken over die dan voor een nieuwe generatie zorgen.

Het was verbazingwekkend om te zien hoeveel kleine snoekjes er zich in een mum van tijd tot 40 cm en nog groter ontwikkelde na deze strenge winter. Er was volop ruimte voor de kleine snoek waardoor ze snel groeiden en reeds na een jaar aan het paaiproces deelnamen. Zo ziet men maar weer eens dat Moeder Natuur altijd weer met passende oplossingen komt.

Je was toen meer bezig met het niet verspelen van vaak te zwaar kunstaas dan met het vangen van snoek.
Je was toen meer bezig met het niet verspelen van vaak te zwaar kunstaas dan met het vangen van snoek.
Er waren veel advertenties met deze Hurricane Spinner en ik moet hem altijd nog een keer testen.
Er waren veel advertenties met deze Hurricane Spinner en ik moet hem altijd nog een keer testen.
Veel nieuwe zaken in oude visbladen.

Ik vertelde al eerder dat het snuffelen in de oude jaargangen van de verschillende hengelsport bladen, De Sportvisser voorop, uit de 60er en 70er jaren van de vorige eeuw heel veel goede herinneringen naar boven brengt. Ik zie namen van auteurs waar ik toen met eerbied tegenop keek en die later goede visvrienden werden. Ik denk dan aan Jan Schreiner maar ook Jan Veenhuysen, Rein van Rutten en Cor van Beurden. En verder aan Peter Zaagsma, Andre Steentjes, van wie ik later veel vliegvisboeken en splitcane hengels kocht, en Iwan Garay.

Jan Schreiner schreef in deze periode veel boeken over spinnen met kunstaas en dan vooral in de polder.
Jan Schreiner schreef in deze periode veel boeken over spinnen met kunstaas en dan vooral in de polder.

Midden 60er jaren schrijft J. Durivou Jr. veel over vliegvissen op ruisvoorn en licht spinnen in de polder en omdat hij vlakbij me in De Rijp kwam wonen, gingen we vaak samen de polder in en leerde ik vooral de kneepjes van het vliegvissen en zo ook het snoeken met de streamer.

 

De eerste Rapala advertentie die ik in1968 tegen kwam.
De eerste Rapala advertentie die ik in 1968 tegen kwam.
In de bladen kwamen ook artikelen over onderzoek bij snoek en ook kwam ik al verzoeken aan de OVB tegen om onderzoek naar dressuur bij snoek te doen.
In de bladen kwamen ook artikelen over onderzoek bij snoek en ook kwam ik al verzoeken aan de OVB tegen om onderzoek naar dressuur bij snoek te doen.

Er komen al meer advertenties van kunstaas en dan vooral kunstaas voor het snoeken in de polder. Over snoeken op de rivieren en randmeren lees je eigenlijk niets en de snoeken die op het grote water zoals Vinkeveense plassen, Sloterplas, Maarseveense en Loosdrechtse plassen gevangen worden, pakten bijna zonder uitzondering een levende aasvis. Je zou kunnen stellen dat KRO kanjer-koning Willem Bouwman de uitzondering was met zijn kanjersnoeken van de Wijde Blik en Spiegelpolder die een grote plug pakten.

De grootste pluggen die ik me uit deze periode kan herinneren waren de 40 grams Abu Hi-Lo pluggen met verstelbare schoep. Ik heb dit model later bij snoekinstructiedagen veel gebruikt om te laten zien dat de stand van de schoep bepalend was voor de diepgang van de plug.

DE 40 grams Abu Hi-LO was vele jaren langs de grootste plug in mijn viskoffer maar ik had meer vertrouwen in de kleinste maat. Wel de rubbertjes van de dreggen halen, ik ken het gevoel als je dat niet doet…
DE 40 grams Abu Hi-LO was vele jaren langs de grootste plug in mijn viskoffer maar ik had meer vertrouwen in de kleinste maat. Wel de rubbertjes van de dreggen halen, ik ken het gevoel als je dat niet doet…

In de advertenties zie je de overgang van splitcane naar het veel lichtere holglas hengels en licht vissen was toen wel in de mode. Het is ook een komen en gaan van een heel groot assortiment werpmolens. De oude rol, zowel van hout als aluminium, verdwijnt, en heel af en toe lees je over de rechtshandige Abu Ambassadeur. Mijn favoriete molen, de Abu 505 wordt 10 gulden goedkoper in 1963, dus 55 gulden en gaat 2 jaar later weer naar 57 en 59 gulden.

De oogst uit de fuiken van de laatste 15 jaar, meer kunstaas en minder onderlijnen met dreggen.
De oogst uit de fuiken van de laatste 15 jaar, meer kunstaas en minder onderlijnen met dreggen.
Kanjerkoning Wim Bouwman vertelt hoe hij gericht op kanjersnoek vist.
Kanjerkoning Wim Bouwman vertelt hoe hij gericht op kanjersnoek vist.

We zien in 1963 de eerste advertenties voor snoekreizen naar Ierland van reisbureau BBI uit toen Emmen en nu Groningen en ze heb net hun 50 jarig jubileum gevierd. Wat ook opvalt is dat goede snoekvissers en specialisten op castinggebied hengelsportspeciaalzaken beginnen. Hier komen enkele namen: Jan Schreiner en Willem Persoon runnen Flitsend Nylon in Amsterdam en ik heb wel eens met mijn neus op de etalage gedrukt staan kijken naar al dat moois dat toch wel duur was en ik durfde niet naar binnen… Cor van Beurden kwam in de winkel van Sciarone in Den Haag, Ronald Fenger en Ben Pont begonnen in Rotterdam en Jonny Broers had een speciaalzaak in Amsterdam. Dit waren allemaal winkeliers die vooral goede voorlichting konden geven over hoe al die nieuwe spullen in de praktijk te gebruiken.

De meeste van deze nieuwe spullen werden nog in Europa geproduceerd en vooral uit Zweden, Finland en Frankrijk kwamen interessante zaken. Slechts heel mondjesmaat kwam er iets uit Amerika en een van de eerste kunstaasjes die hier ook succes hadden, was de flexibele zacht plastic twisterstaart. De discussie over wat beter en sportiever is voor snoek: kunstaas of levend aas, ging maand in maand uit soms vrij heftig verder. De beste opmerking daarover die ik in De Sportvisser van januari 1969 las, was deze: het maakt niets uit welke manier men gebruikt, het gaat vooral om de mentaliteit van de visser! Ik zou deze uitspraak later ook vaak gebruiken bij het verdedigen van een takel bij gebruik van dood en levend aas. Een enkele haak die geslikt wordt is veel dodelijker dan 2 dreggen die voorin de bek zitten.

De jeugd snapte het. De 10 jarige Peter Hoogewerf uit Haarlem ving een 94 cm snoek en zette deze terug in de hoop haar later als metersnoek nog een keer te vangen.
De jeugd snapte het. De 10 jarige Peter Hoogewerf uit Haarlem ving een 94 cm snoek en zette deze terug in de hoop haar later als metersnoek nog een keer te vangen.
Geeft informatie over deze snoek en de andere links
Geeft informatie over deze snoek en de andere links

Maar goed, ondanks de zeer positieve houding van alle redacteuren en free lance medewerkers van de diverse bladen over catch and release van snoek, komen we nog steeds de nodige foto’s tegen van dode metersnoeken. Waarom? Waarschijnlijk ter meerdere eer en glorie van de vanger die abonnee was en de doorsnee lezer was gek op dit soort plaatjes met daarbij nog een smeuïg vangstverhaal. Ik zal op het einde van dit hoofdstuk nog wat foto’s van volslanke snoekgroetmoeders tonen, nu eerst nog iets over hoe het mij toen verging.

DE voorpagina’s werden beter, men hield ze niet meer in de ogen vast.,
DE voorpagina’s werden beter, men hield ze niet meer in de ogen vast.,
Van veen naar klei

Ik wil in dit zesde hoofdstuk naast enkele landelijke snoekgebeurtenissen ook nog enige grote veranderingen in mijn eigen snoekvissersleven kwijt. Nee, niet dat ik eind 60er jaren trouwde en meteen stukken minder mocht snoeken van mijn vrouw. Daar heb ik nooit last van gehad. Wilt u een grappig voorval op dat gebied? Op mijn trouwdag, op 1 oktober dus midden in het snoekseizoen, ben ik van 8.30 tot 12.00 uur wezen snoeken en ving ik nog 4 snoeken, 2 aan de spinner en 2 aan een kleine plug. Echt waar!

Het snoeken in genoemde Eilandspolder ging in die periode trouwens snel achteruit. Door de eutrofiering werd het water troebel, verdwenen de waterplanten en daarmee ook de snoek. We kregen er snoekbaars voor terug, maar echt blij was ik daar niet mee. In die periode was ik al grotendeels overgeschakeld op het vissen met kunstaas, vooral met spinners en door schade en schande leerde ik hoe dat het beste ging.

In 1971 verhuisde ik naar Bovenkarspel en daar ontdekte ik dat in deze diepere kleipolders de snoekstand niet alleen stukken beter was dan in de veenpolders, maar dat men hier ook anders snoekte. De aasvissen waren veel groter, men viste vaak in het midden van de vaarten, met pluggen ving ik meer dan met spinners en…. de snoeken werden hier veel groter. Wat me in al die jaren snoeken rondom De Rijp nooit gelukt was, lukte hier wel: ik ving mijn eerste metersnoek en tevens vele exemplaren tussen de 80 en 100 cm. Ik denk dat snoek, en ook de andere vissen, in het kalk – en voedselrijke water met een hogere pH van West-Friesland veel sneller groeien dan in het zure en voedselarme water van de veenpolders.

Ook de “aankleding en stoffering” van deze grote polders met namen als Het Grootslag, De Vier Noorderkoggen en De Drieban zag er heel anders uit. Weinig groene weiden maar vooral een tuinbouwgebied dat toen door de grote ruilverkaveling uitgebreid op de schop genomen werd. Gelukkig had ik al snel een paar nieuwe vismaten die me vertelden bij welke beroepsvisser je een snoekvergunning kon kopen en hoe je vooral met een bootje bij de beste stekken kon komen.

Echt er was, en is nog steeds, zoveel viswater dat je niet wist waar je moest beginnen. Mijn geluk was dat ik een stukje nog niet verkavelde polder vond tussen de oude provinciale weg N506 en het dorp Venhuizen, lokaal bekend als Houterpolder. Er was maar een hoofdsloot van een paar km lengte en nog een stuk of 4 zijsloten, meer dan voldoende om met heel veel plezier in mijn eentje te bevissen, al was het alleen maar om de 40 cm plus baarzen. Bij de oude vrijgezelle broers Koorn onder aan de IJsselmeerdijk kon ik mijn roeibootje stallen

Onder aan de dijk bij Venhuizen lag mijnranke bootje bij de gebroeders Koorn van wie ik wel eens een lift als ik de polder in ging. Hier kon de snoek groot worden!
Onder aan de dijk bij Venhuizen lag mijnranke bootje bij de gebroeders
Koorn van wie ik wel eens een lift als ik de polder in ging. Hier kon de snoek groot worden!

Destijds zette ik al mijn gevangen snoeken al terug, doch dat was bepaald niet de gewoonte in dit deel van Nederland. De snoeken werden hier niet alleen gedood voor de pot, maar vooral verkocht aan de visgroothandels die in de steden aan het IJsselmeer genoeg te vinden waren.

De aasvis was en bleef populair en als je ze een tijdje in een witte emmer bewaarde werden ze ook wit en vielen meer op in het water.
De aasvis was en bleef populair en als je ze een tijdje in een witte emmer bewaarde werden ze ook wit en vielen meer op in het water.

Omdat ik de enige was die in dit poldertje viste en geen ruchtbaarheid gaf aan mijn zeer goede vangsten, kon ik de snoeken die ik ving zonder risico dat ze een week later met levend aas gevangen en verkocht werden, netjes terugzetten.

PICT0003

Ik en nog een aantal andere snoekvissers vonden dat verkopen van snoek heel jammer maar wat doe je er aan? Het antwoord is eenvoudig, doch de uitvoering niet: de bestaande regels in de vergunning veranderen. Hoe dat in de Kop van Noord-Holland gelukt is, hoe vervolgens het idee van een Snoekstudiegroep Nederland-België ontstond en hoe er, ook met medewerking van de zojuist gevormde NVVS en Het Visblad, een mentaliteitsverandering bij de snoekvissers ontstond, zal ik in de volgende hoofdstukken beschrijven. Eerst nog wat informatie over echte kanjersnoeken, want dat verveelt snoekvissers immers nooit.

Vertellen het verhaal van de snoek van mevr. Rademaker.
Vertellen het verhaal van de snoek van mevr. Rademaker.

DSC_0034

Steeds minder kanjersnoeken?

Als uitzondering op de 15 kg limiet eerst de snoek van 14,5 kg en 118 cm van de Wijde Blik genoemd omdat die door een dame, mevr. Rademaker uit Amsterdam gevangen was. Van hetzelfde, nog steeds zeer goede, snoekwater komt ook de 15,5 kg snoek van J. Niekerk uit Amsterdam en deze snoek was 128 cm lang. Nog zwaarder en langer was de snoek van P. Janbroers,ook uit Mokum,: 16 kg en 127 cm en gevangen in het Kinselmeer. Deze snoek van einde 60er jaren is voorlopig de laatste kanjer die ik te melden heb. Ik heb zojuist een paar uur lang veel visbladen tot begin 1975 doorgebladerd en… geen snoek boven de 15 kg gezien.

Wel zag ik meer aanmeldingen van grote snoekbaarzen en, ook heel interessant, steeds meer commentaar en weerstand tegen dode krantensnoeken. De mentaliteit veranderde echt!!

Ik wil deze 25 jaren afsluiten met goed nieuws voor alle vissers: Op 4 januari 1975 werd door ruim 100 hengelsportbestuurders, die 21 hengelsportfederaties vertegenwoordigden, besloten de Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties, de NVVS, op te richten.

Jan Eggers